
WILLEMSTAD – De kritiek op de voorgestelde wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht rond voorwaardelijke invrijheidstelling neemt toe in de Staten. Niet alleen de oppositie, maar ook coalitiepartijen plaatsen vraagtekens bij de plannen, terwijl minister van Justitie Shalten Hato aangeeft open te staan voor aanpassingen.
Aanleiding is een wetsvoorstel waarin onder meer wordt geregeld dat bij voorwaardelijke invrijheidstelling een vorm van “zekerheidsstelling” kan worden toegepast. Volgens critici dreigt daarmee een systeem te ontstaan waarin vrijheid mede afhankelijk wordt van financiële draagkracht.
Statenlid Suzy Camelia-Romer (MAN-PIN) waarschuwde eerder al dat de plannen kunnen leiden tot rechtsongelijkheid en te veel beslissingsmacht bij de minister. Zij diende een amendement in om de regeling aan te passen en beter te begrenzen.
Brede steun
Die kritiek krijgt nu bredere steun. Ook binnen de coalitie wordt benadrukt dat invrijheidstelling gebaseerd moet blijven op gedrag en vooruitgang van een gedetineerde, en niet op de mogelijkheid om een borgsom te betalen.
Minister Hato erkent dat er onduidelijkheden in het voorstel zitten en heeft aangegeven het amendement van de oppositie vooraf te willen bestuderen. Daarmee lijkt ruimte te ontstaan voor aanpassing van de wet voordat deze definitief wordt behandeld.
In de discussie wordt ook gewezen op een belangrijk juridisch onderscheid. Waar een borgstelling bij voorlopige hechtenis bedoeld is om vluchtgevaar te beperken, draait voorwaardelijke invrijheidstelling juist om re-integratie en gedragsverandering.
Het debat over de wetswijziging is daarmee uitgegroeid tot een bredere discussie over rechtsgelijkheid en de rol van de minister bij beslissingen over vrijheid.


































